Use ‘Google Translate’ here to translate the Puffinnest.org articles in English
Kerststal in Utrecht ipv Bethelem
Als protestant, of nog erger een jongen uit de ‘school van Calvijn’, hoor ik weinig te hebben met kerststallen (zóóóó katholiek!), maar deze in het Catharijneconvent in Utrecht bekeert iedereen.
De kerststal – of eigenlijk twee – in de kerk naast het museum zelf is deze periode tot en met 11 januari te bezoeken en is echt indrukwekkend. Je kijkt je ogen uit.
Het is dan ook geen gewone kerststal. Je kent dat wel: Jozef, Maria, het kindeke, wat herders, de drie koningen met hun cadeaus, ergens in een gebied dat Bethlehem moet voorstellen. Zie foto boven dit verhaal.

Dan deze. Twee panorama’s, achterin de kerk. Het zijn Napolitaanse voorstellingen. Vernoemd, inderdaad, naar Napels waar dit soort voorstellingen hun bron hebben. Het bekende kersttafereel, maar dan met als decor de Italiaanse stad.
Winkel van Sinkel
In deze kerk dus met een vertaling naar Utrecht. In de ene grote vitrine is de Domtoren het decor, in de andere de Winkel van Sinkel in dezelfde Domstad.
Je kijkt je ogen uit. Zoeken naar Maria met baby Jezus, de drie Koningen met hun geschenken, gelardeerd met bijvoorbeeld engelen die rond de Domtoren zweven.
Elke keer dat je kijkt, zie je weer iets nieuws. Soms heeeel kleine details. Idd tot in detail uitgewerkt.
Olifant
En ik ken het niet uit het Bijbelverhaal over de geboorte van Jezus, maar in een van de twee vitrines zie je een olifant.

Je ziet ook bijvoorbeeld mensen aan een tafel met eten daarop. Onder de tafel maar je moet het maar net zien, een muis… En kijk, daar vlucht Maria te paard met haar kind naar Egypte, zie foto hierhoven.
Grappig. Het Catharijneconvent afficheert de tentoonstelling als ‘De mooiste kerststal van Nederland‘. Volgens mij heeft het museum hier een punt.
Hoe leuk mijn wervende verhaal hier ook, je moet het met eigen ogen zien. Dus als je tijd hebt: ga naar Utrecht.
Twee musea op één dag
Twee musea op één dag. Ja, maar ze zijn in Venlo dan ook op steenworp van elkaar te vinden.
Had al sinds de aankondiging in het Limburgs Museum in mijn agenda gezet dat ik naar de tentoonstelling Bourgondiërs in Limburg wilde gaan. Voel mezelf wel een Bourgondiër als het op lekker eten en drinken (niet noodzakelijkerwijs in die volgorde) aankomt.
De dubbele betekenis van de naam komt goed tot uiting in de tentoonstelling (nog te bezoeken tot eind januari). De oorsprong is te vinden in de tweede helft van de vijftiende eeuw als drie generaties Bourgondiërs: de roemruchte hertogen Filips de Goede, Karel de Stoute en Maria de Rijke de dienst uitmaken in wat we nu de provincie Limburg noemen.

Hun verhalen worden verteld in woord en via audiotour en via prachtige kunstwerken, waaronder mooie schilderijen. Met bruiklenen uit musea als het Louvre, Versailles, Berlijn en het Nederlandse Rijksmuseum.
En ook een uitleen van het Koninklijk Huis: de keten die – toen koningin – Beatrix kreeg bij haar benoeming in 1985 tot lid of ridder in de uit 1430 daterende Orde van het Gulden Vlies..

En op verschillende schilderijen ook aandacht voor St. Joris die als ridder de draak versloeg. Altijd mooi om te zien, want diezelfde heilige met de draak siert ook het herdenkingsmonument voor de Tweede Wereldoorlog in de westgevel van het stadhuis in mijn woonplaats Gouda.
Thematisch
Voor de keten als voor enkele schilderijen andere tentoongestelde werken geldt: dat je ze zelden of nooit in Nederland ziet en al helemaal niet thematisch zoals hier in het Limburgs Museum.
Bijzonder is ook het Banket van de Fazant. Een tafel vol rijk uitgestalde (nep) gerechten op een tafel. Zie foto boven dit verhaal. En je mag aanschuiven. Je mag nergens aankomen, maar toch apart. Je leest op een scherm de grootse eden die ridders aflegden op een levende fazant.
Dat we aan de rijk gevulde tafel de tweede betekenis van Bourgondiërs te danken hebben, wordt wel duidelijk.
Fabeldieren
Het tweede museum dat ik vandaag bezoek: Van Bommel van Dam, is pas begin november op mijn lijstje gekomen. Las in de Volkskrant een verhaal over de expositie Fantastische Wezens. Fabeldieren.

Vooral het tegen de grond geplaatste grote, huilende medusahoofd (fluweel, katoen en schuimplastic) van Susanna Inglada imponeert.
Mooi is ook video met de Lamassu, een moderne weergave van de gelijknamige beschermgod en poortwachter uit het Assyrische rijk. Kunstenaar Wouter Oosterholt baseerde zijn versie op de eind negentiende eeuw door jezuïeten uitgehouwen beeld in een mergelgrot bij Maastricht. In de video (zie onderdaan) ‘wandelt ’de Lamassu door de straten van Maastricht.

Had na binnenkomst in dit museum even in de namen van de tentoonstellingen vergist en belandde eerst bij de expositie Mysterious Universe. Een reis door de kosmos. Ben er snel uitgekeken, de meeste werken kunnen me niet bekoren.
En ook vervelend bij de entree in dit deel van het museum: de vrijwilligster wil me te nadrukkelijk wijzen op wat ik kan zien en lijkt bijna beledigd als ik haar aanbod de brochure mee te nemen afwijs. Zelfs mijn ,,misschien straks’’ brengt daar nauwelijks verbetering in.
Leo Gestel
In een van de ruimtes nog wel geconfronteerd met mijn werk voor AD Groene Hart. Ik kom schilderij tegen van Leo Gestel. Al overleden, maar geboren in Woerden. En over hem, of eigenlijk rond enkele van zijn werken, heb ik verhalen geschreven.

Geen onderdeel van de tentoonstellingen, maar wel een heel leuk bijzonder weetje aangetroffen bij de lift in dit in het voormalige postkantoor ondergebrachte museum. Op de deuren op elke verdieping wordt uitleg gegeven, waarom het zo lang duurt voor de lift arriveert. ,,De lift is niet defect. Hij is relaxed”.
Hieronder een filmpje van een lichtwerk Cosmic Call van Gabriel Lester uit 2015 dat me wèl kon bekoren. Er gebeurt iets vrolijks in in deze video-installatie. En na de in mijn ogen saaie schilderijen is dit een verademing.
En hieronder een deel van de video Lamassu die door de straten van Maastricht wandelt.
Whisky Galore 2025
Half november, dus vaste prik deze zondag: het International Whiskyfestival in Den Haag. Verspreid over vier uur tal van mooie malt whisky’s proeven. De een nog lekkerder dan de andere. Het kost een paar centen, maar dan heb je ook wat.
Geen kerkgang dus vandaag. Hoewel, het jaarlijkse evenement is in een kerk (de Grote Kerk in Den Haag) en de inhoud van de bijna oneindige selectie aan uisge-beatha heeft wel iets spiritueels.
Al twintig jaar is het vaste prik voor neef D. en mijzelf. Een middag plezier beleven aan een keus uit de vele whisky’s uit Schotland, Ierland, India en ook steeds meer uit Nederland (Utrecht, Rotterdam, Amsterdam).

Behalve als binnenkomertje, de Cley whisky uit mijn geboortestad Rotterdam, laten we de Nederlandse dranken aan ons voorbij gaan. Cley hebben we eerder gedronken, maar om al direct bij binnenkomst aan de whisky’s die een sterke turfsmaak hebben en hoog in het alcoholpercentage zitten… Deze driemaal gedestilleerde Cley is 40 procent en gemakkelijk drinkbaar. Niet complex.

Iers
Daarna toch maar aan het serieuze werk begonnen. Bij Bresser en Timmer – een stand die we elk jaar bezoeken vanwege kennis die daar staat – laten we ons verrassen met een 12 jaar oude Ierse whiskey: Hinch Amarone.
Het laatste deel van de naam verwijst naar de vaten van dat Italiaanse wijnhuis waarin de whiskey enkele jaren opgeslagen is geweest. Goudgeel van kleur en een heerlijke ‘neus’ en smaak.
Daarna bij Kilchoman de Sauternes geproefd; een naam die verwijst naar de Franse wijn. Heel mooi. Later in de middag zullen we bij andere stands nog wat Sauternes whisky’s proeven.

Volgens mij zijn het er meer dan eerdere jaren. Heeft de (Schotse) whisky-industrie nieuwe rijpingsvaten ontdekt voor een speciale smaakbeleving?
Heel fraai is ook de Glencadam Origin 1825 (het jaartal verwijst naar de oprichting van deze distilleerderij) uit het oosten van Schotland. Geen Speyside, maar zuidelijker gelegen, tussen Aberdeen en Dundee. Met 40 procent alcohol niet zwaar. Wel lekker. Dat komt mede door de relatief korte tijd dat deze whisky nog in ex-sherry vaten opgeslagen is geweest.
Lekkerder
Uiteraard ook bezoek gebracht aan de stand van Ardnamuchan, de relatief jonge distilleerderij die ik in enkele jaren tijd tijdens mijn Schotse reizen gebouwd heb zien worden op Morvern. En inmiddels ook heb bezocht. Als je er eens bent geweest, smaakt zo’n whisky toch net wat lekkerder.
Datzelfde geldt voor distilleerderij Arran op het gelijknamige eiland aan de Schotse westkust. De enige die op kruipafstand van mijn kampeerplek is te vinden. Niet dat je er dronken vandaan komt hoor. Tijdens een bezoek aan willekeurig welke Schotse distilleerderij krijg je twee of drie proefglaasjes voorgeschoteld. En voor wie moet rijden, kan na het ruiken de inhoud van de glaasjes in mini-flesjes worden gegoten om mee te nemen. Vandaag in Den Haag proeven we de 18 jaar oude Arran.

Terug naar de Ardnamuchan, want hier proefden we opnieuw een Sauternes, nu peated (turfachtig). Fantastisch!
Van het eiland Islay proeven we nog de Coal Ila 2007 (sherry vat finish) van Maurice van Wees die geïmporteerde (Islay) whisky’s uitbrengt onder het eigen label The Ultimate.
De 2007 is niet te versmaden. Hetzelfde geldt voor de 18 jaar oude Glenmorangie Infinita uit verre noorden van het vasteland van Schotland.
Israël
Na jaren ook de stand van Milk & Honey, die Israëlische distilleerderij. Politiek correct of niet, de Terroir Sea of Galilee uit het gebied waar het Meer van Galilea en de rivier de Jordaan samenkomen is heerlijk van smaak. Met 56,2 procent wel hoog in de alcohol. Het thuis nog een fles van vele jaren geleden. Die deze week nog maar eens openmaken.
Wat D. en ik ook al jaren doen is aan het einde van de vier uur durende sessie is een mini-flacon vullen met de whisky die we het meest hebben gewaardeerd. Dat is dit jaar de Mac-Talla Lighthouse edition 2024.

Mac-Talla is geen distilleerderij. Deze malt whisky’s worden uitgebracht door de familie Morrions die zich al jaren richt op het ‘vangen’ van mooie Islay whisky’s. Dat is in dit geval volgens ons meer dan gelukt.
De Lighthouse edition 2024 wordt na opgeslagen te zijn geweest in Bourbon vaten, nog een tijdje deels opgeslagen in sherryvaten en deels op Bordeaux wijnvaten.
Met 54 procent ook weer hoog in de alcohol. De smaak komt ‘los’ door een paar druppels watrer toe te voegen aan ons glas.
Die drinken we komende zondag. Nog even uitzoeken waar deze whisky te koop is. Met iets meer dan 90 euro wel aan de prijs, maar voor onder mijn kerstboom…
Over een jaar, zondag 15 november, eens kijken wat voor moois we dan weer kunnen proeven op het International Whisky Festival in Den Haag.
Zoals bovenaan gezegd: het kost een paar centen. De entree is bijna 50 euro. De standaard whisky zijn daarbij ingegrepen. Maar je komt natuurlijk vooral voor de bijzondere whisky’s. En daarvoor moet extra in de buidel worden getast. Deze middag komt het voor ons op nog eens 30 euro per persoon.
Het leven is een feestje en we hebben zelf de slingers opgehangen.
Dineren in een sterrrenzaak
Vanavond – op uitnodiging – heerlijk gegeten bij Lizz in Gouda. Restaurant met een Michelinster. Nog nooit gegeten in een sterrenzaak, maar wat een feest was deze kennismaking.
Het gebouw – voormalig weeshuis – ken ik als Gouwenaar, maar bovenal in mijn werkzame leven als journalist. Deel van het rijksmonument was van 1973 tot 2014 de bibliotheek. Nu is het het hotelgedeelte van WSHS/Lizz. Het zuidelijk deel, waar we dineren, is jarenlang de ruimte waar de gemeente Gouda bijvoorbeeld plannen ter inzage legde. In beide delen kwam ik vaak.

Van de toch wat kille sfeer van die ruimten vroeger is niets meer te herkennen. Het restaurant is oogverblindend. Lizz mag dan een Michelinster hebben, van opsmuk of dikdoenerij is geen sprake. Je voelt je direct op je gemak.
Aziatische toets
Maar we kwam natuurlijk om te eten (klik hier voor een voorbeeld van het menu). Een waar feestje. Gerechten met hier en daar een lichte Aziatisch toets. Dat is het kenmerk van chef Remco Kuijpers. Los van die toets kenmerkt het menu zich door de Hollandse nuchterheid. En vooral veel smaak.

Voor de wijn was uiteraard mijn oudste zus E. aan zet. Ze heeft een zeer grote wijnkennis.
We komen uit op een Vosne Romanée uit de Cote d’Or. Die blijkt uitzonderlijk goed samen te gaan met de hertenrug (zie foto boven dit verhaal) die we als hoofdgerecht eten.

Anders dan in ‘gewone’ restaurants en eetcafés geen ober die om de vijf minuten bij je tafel komt om te vragen of alles naar wens is, of het smaakt en zo. Een verademing.
De ober houdt onze tafel wel goed in de gaten. Zonder dat we het moeten vragen of hem moeten wenken, komt hij op het juiste moment met de fles wijn langs om het glas bij te vullen.

Port
De kaasplank – je mag een selectie maken uit een rijk gevuld buffet – laat ik vergezeld gaan door een mooie vintage port Quinta do Noval, die uitstekend past bij de zachte kazen.

Bij de afsluitende koffie valt mijn keus op een prachtige malt whisky: de Bruichladdich Octomore van het Schotse eiland Islay.
Al met al een zeer genoeglijke avond om niet te vergeten. Dank lieve zus.
Middagje knikkeren
Batsers, stuiter, bolder, bonk, bikkel, bull, bam, tienteller, bolleket, reuze bonk, mega reus, super bonk, mammoet, supermega, keizerbonk. Wie zeggen die namen nog iets? Knikkers. Inderdaad. In Museum Cobra in Amstelveen zijn het de kleine versies, maar het spelen ermee is ook voor volwassenen groots.
In het museum, waar ik nog nooit was geweest, zijn ze onderdeel van de tentoonstelling De Cycloop. Zeven kunstenaars zijn er met ieder een installatie die op hun eigen manier ingaat op beweging, mechaniek of kettingreactie met een knikker.

Bij de entree krijg je één glazen knikker in de hand gedrukt. Die is bestemd voor de installatie van Atelier Van Lieshout die een mens voorstelt. Knikker in de mond. Die gaat via het poepgat naar buiten en verdwijnt in een kist, waarna ie er fijngemalen als glasgruis uitkomt.
De tentoonstelling draait om plezier: om het spel, het raken, het rollen en botsen. Maar ook om te ervaren wat materiaal doet: hoe vorm en zwaartekracht samenwerken, hoe toeval en controle elkaar afwisselen.
Trampoline
Bijzonder is de installatie van Zoro Feigl. Een groot rond, zwart doek gaat op en neer, heen en weer. Piepkleine knikkers gaan door trillingen alle kanten op. Spontaan, of als ze worden losgelaten door een magneet in het midden. Het heeft wel iets van een trampoline. Heel eenvoudig (hoewel, je moet er maar op komen…), maar je blijft kijken.
Minstens zo leuk is de lange grote houten knikkerbaan, waarbij je zelf de knikkers in de juiste positie kunt brengen om ze naar beneden te laten razen. Ja, een tentoonstelling waar je je handen niet achter de rug hoeft te houden.
Was nog nooit in dit museum geweest, laat staan in Amstelveen. Maar het is de gemeente waar ik paar dagen heb overnacht in verband met een internationale vergadering in Amsterdam. En als pensionado kun je op donderdag al vroeg die kant uitrijzen, koffer in hotel te droppen en dan naar het museum te gaan.
Wie de knikkerbanen zelf wil aanschouwen en wil spelen, kan nog tot medio januari terecht in Museum Cobra.
Kort filmpje van enkele van de installaties in het museum:
Beeldige kijk op Koninklijk Paleis
Was al eens eerder in het Koninklijk Paleis in Amsterdam geweest. Leuk om de mooie vertrekken te zien, maar het meest onder de indruk was ik toch van de beelden die het paleis domineren. Niet in de laatste plaats de Vierschaar. Nu met de tentoonstelling over de ‘huisbeeldhouwer’ Artus Quellinus me verdiept in de erken.
De tentoonstelling in de ruimten rond de Burgerzaal, biedt een fraai overzicht van de ontwerpen of voorstudies en toonmodellen in terracotta en de uiteindelijke werken. En daar blijft het niet bij, In de overzichtstentoonstelling rond Quellinus (1609 – 1668) zijn ook topstukken uit musea, kerken en privécollecties uit tal van landen bijeengebracht.

Niet alleen veel kleine werken of ontwerpen zijn te bezichtigen. Bijzonder indrukwekkend zijn de meer dan manshoge topstukken. Zoals het heiligenbeeld van Petrus (met omgekeerd kruis en de kraaiende haan) uit de Antwerpse St.-Andrieskerk en de fontein van Pallas Athene uit Museum Kurhaus Kleve. Het was een cadeau van het stadsbestuur van Amsterdam aan prins Johan Maurits. Ze sierde als fontein zijn park in Kleef (Kleve).
Belangrijkste beeldhouwer
Wat van ver komt is lekker, maar het leukst vind ik vandaag toch de tientallen terracotta (gebakken klein) voorstudies (‘bozzetto’) voor de beelden die in het paleis te zien zijn.
Quellinus heeft ze niet voor het paleis gemaakt, maar voor het stadsbestuur van Amsterdam, want het monument op de Dam (van de hand van architect Jacob van Campen) had van oorsprong de functie van stadhuis.
Het stadsbestuur wilde pronken met zijn functie en gaaf Quellinus zo te zien de vrije hand. Niet verwonderlijk. Hij was zowel in Vlaanderen – waar hij vandaan kwam – als in de Nederlandse Republiek de belangrijkste beeldhouwer van zijn tijd.

De tentoonstelling is mooi opgezet, want een aantal van die voorstudies zijn geplaatst bij de uiteindelijke marmeren beelden in het paleis. Zoals dat van Saturnus die zijn zoontje vasthoudt (en daarna zou opeten omdat voorspeld was dat hij door een van zijn kinderen zou worden gedood). Een schilderij met hetzelfde thema van Peter Paul Rubens diende als inspirtatie.
In een vitrine is het toonmodel te zien en een zachte schijnwerper attendeert de bezoeker op het uiteindelijk resultaat in de muur er achter.
Mooie uitleg ook bij een aantal werken als het gaat om de inspiratie van Quellinus. Zo is het Salomonsoordeel (in de Vierschaar, waarover straks meer) ter herleiden naar een schilderij dat Peter Paul Rubens maakte voor het stadhuis van Brussel. Wel met een aanpassing. In Rubens’ schilderij zit koning Salomo links en kijk je schuin in de scene. Quellinus ‘draaide camera’ en zette Salomo in het midden.

Afgeknipt haar
Als je de werken van Quellinus ziet, snap je wel waarom het Amsterdamse stadsbestuur destijds (rond 1650) het oog op hem heeft laten vallen. De personages en (fantasie)dieren, of ze nu groot zijn of klein, lijken je echt aan te kijken, of zo uit een muur te stappen. Ontroerend mooi.
En hij had oog voor details. In het beeld Simson en Delila (de vrouw in het Bijbelverhaal die Simsons lange haar afknipt zodat hij zijn kracht zou verliezen), zie je op de grond het afgeknipte haar liggen…
‘Het licht der beelthouwerye onzer eeuwe’, zo noemde de dichter Joost van den Vondel zijn tijdgenoot. Vondel vergeleek hem zelfs met Phidias, de beroemdste beeldhouwer uit de Griekse oudheid.
Het paleis heeft aan werken van Quellinus niet te klagen. Voor wie de naam toch niets zegt, kent wel het van buiten altijd zichtbare beeld van zijn hand: Atlas die de wereld draagt, hoog boven op het dak van het paleis.

Het meest indrukwekkend binnen is toch wel de Vierschaar, beneden. De Vierschaar was de ruimte waar in een publieke ceremonie de doodstraf werd uitgesproken. Tegen de achterwand geven drie grote reliëfs voorbeelden van goede rechtspraak. Hoogtepunten zijn de levensgrote vrouwenfiguren die Straf en Berouw verbeelden en de dramatische reliëfs, waaronder het eerder genoemde Bijbelse verhaal Zie de foto boven dit verhaal.
Het Oordeel van Salomo:
>> Twee vrouwen die samen in een huis woonden, hadden ongeveer gelijktijdig een zoon gekregen. De ene baby was gestorven. Beide vrouwen eisten het levende kind op. Ze vroegen Salomo een oordeel te vellen. Er was geen mogelijkheid om aan te tonen wie de waarheid sprak. Salomo stelde voor het levende kind in tweeën te hakken en de helften eerlijk te verdelen. De ene vrouw was bereid dat te aanvaarden, de andere maakte bezwaar en zei dat ze het kind liever levend in handen van de andere vrouw zag. Salomo concludeerde dat de tweede vrouw de echte moeder was en gaf haar het levende kind.<<

Dodenmasker
De werken van Quellinus worden omgeven met dat van zijn leerlingen, onder wie Rombout Verhulst. Van hem is onder andere het gipsen doodsmasker van Michiel de Ruyter te zien, dat hij als voorbeeld gebruikte voor het praalgraf voor de zeeheld in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, pal naast wat nu het paleis is.
Quellinus blijkt een belangrijke inspirator te zijn geweest voor de beeldhouwkunst in de tweede helft van de zeventiende eeuw in wat toen heette de Republiek der Nederlanden en daarbuiten.
Dit alles zelf zien? De tentoonstelling Artus Quellinus, beeldhouwer van Amsterdam is nog te bezoeken tot het einde van deze maand. Een aanrader. De Museumkaart is geldig.
Feestdag voor mezelf
50 jaar in ‘het vak’ vandaag. Op 1 oktober 1975 stapte ik de professionele journalistiek in als (leerling-)redacteur economie bij een tweetal vaktijdschriften.
In de decennia daarna verruilde ik dat voor het snellere print dagblad en de laatste jaren het nog snellere online bij AD Groene Hart. Down Memory Lane daarom vandaag naar waar het allemaal begon.
Moeilijk te vinden is die allereerste redactieruimte in Amsterdam niet. Ben er in het verleden nog wel eens langs gelopen. De laatste keer in coronatijd, toen je niet veel mocht mar wel met mondkapje op per trein naar Amsterdam. Kon er uiteraard niet naar binnen. Nu weer niet, vanwege verbouwing of (groot) onderhoud.
Het mag de pret niet drukken. Het weer is perfect voor een wandeling door het gebied rond het Leidseplein en het Vondelpark. Hoewel er het in de hoofdstad het nodige veranderd is, roept de rit per trim van Amsterdam CS via de Nieuwezijds Voorburgwal, Koningsplein en Leidsestraat naar het Leidseplein herinneringen op. OK, het was vroeg in die ochtend donkerder dan nu, maar toch…

Is er veel veranderd aan de wandeling van de tramhalte op het Leidseplein naar mijn werkplek? Tuurlijk wel. Het sjieke en dure wooncomplex Byzantium bestond nog niet en het Mariott hotel was nog in aanbouw (ja, met hert gedreun van de heimachine) en de bank als buurman, Labouchere is er ook al lang niet meer zo te zien.
Verbouwd
Maar de panden van de toenmalige uitgeverij Diligentia waar ‘mijn’ vakbladen Foodpress en Distrifood toe behoorden zijn er nog wel. Van buiten dan. Binnen wordt er flink verbouwd zo te zien. En niet voor het eerst. Namen van een advocatenkantoor en van kledingmerk Tommy Hilfiger die ik in coronatijd op bord aan de gevel zag, zijn weg.

Het doet er vandaag niet toe. Ik zet vlak voor de entree, waarvan de deurpost verzakt is, een voetstap, net als vijftig jaar geleden. Toen toch een beetje angstig als 18-jaririge Gouwenaar in de grote stad (‘wat staat me te wachten hier’) en nu met pure nostalgie.
OK, de hoek rond Tesselschadestraat, Vondelstraat en Roemer Visscherstraat is niet het meest enerverende stukje 020 (als geboren Rotterdammer kan de naam van de hoofdstad niet goed uit mijn bek krijgen natuurlijk…), maar hier vandaag toch weer even staan, heeft wel iets.
Draaiorgel
Ken de hoek (helemaal links op de foto hierboven) nog van het complex waar mijn bureau was. Eén hoog. Uiteraard niet aan het raam. Die plekken waren voor de seniors.
Wat ik me wel herinner van het hoekraam (zie foto boven dit verhaal) is dat eenmaal in de week het draaiorgel langs kwam en dat collega’s (ik niet, echt niet!) een stuiver vanuit het raam naar beneden gooiden, dus dat was rapen voor de orgelman. Heel fout zouden we nu zeggen. Maar toen…
O en in die tijd (mensen die mij kennen kunnen zich dat nu niet voorstelen) kon in het niet weerstaan: in de kelder onder onze redactieruimte was het bedrijfsrestaurant waar de chef elke dag behalve voor de grote kannen koffie ook voor de soep en de kroketten zorg droeg. Behalve een tweetal maanden in het jaar, want dan reisde hij naar familie in Marokko. Om ons daarna de foto’s te laten zien van weer een gezinsuitbreiding sinds zijn vorige bezoek.
Na mijmeren op de Tesselschadestraat koers gezet naar het Vondelpark. Daar heb ik regelmatig bij goed weer rondgewandeld tijdens de lunchpauze. Hier ben ik echt al die vijftig jaar nooit meer geweest. OK, niet direct, wel schurend langs de rand als ik hier was voor concert in Orgelpark.

Wat een mooi park, zeker als, zoals vandaag, de zon volop schijnt. De wandelpaden, de bankjes. De fonteinen… Wie zou hier niet trots op zijn. Nou, ik vijftig jaar geleden niet, althans niet bijzonder. Het was een lunchpauzewandeling.
Dorrius
Voor het aanvangen van de terugwandeling naar Amsterdam CS nog één gemist. Ging meestal na 17.00 uur terug per tram naar het NS-station. Zeker in de wintermaanden in de regen werd je hongerig. Dan op de NIeuwezijds Voorburgwal kwam je langs restaurant Dorrius. Daar rook je vanuit een kraam de gebakken mosselen. In die tijd nog geen geld en tijd om iets te kopen. Met hongerige maag dus naar Gouda waar mijn moeder een prakkie had bewaard voor me.
Mijn vader en moeder vonden het wel mooi dat ik de journalistiek was ingegaan. Maar pas later, toen ik voor Rijn en Gouwe (nu opgegaan in AD Groene Hart) stadsverslaggever voor mijn woonplaats Gouda werd.
De eerste jaren voor dat dagblad kenden wisseldiensten en dat betekende dat ik niet zelden diep in de nacht nog even naar de opmaakredactie in Den Haag ging per auto en bij vertrek aldaar een verse krant mee nam. Die legde ik bij thuiskomst op de tafel in de woonkamer. Terwijl ik net in ben lag, hoorde ik mijn moeder naar beneden gaan om alvast de krant te lezen…
Long story short… Binnen Rijn en Gouwe en later AD Groene Hart vervulde ik verschillende functies en laat ik vooral ook mijn langdurige inzet voor de onvolprezen vakbond/-organisatie NVJ (Nederlandse Vereniging voor Journalisten) niet vergeten.
De vaktijdschriften (weekbladen) in Amsterdam heb ik verlaten vanwege de tijd die er zat tussen verhaal maken en het bereiken van de lezer in die tijd (geen internet!!!). In de laatste jaren tot mijn pensioen mocht ik vooral online actief zijn. Sneller, sneller, sneller en 24/7!

Pionier
Als pionier. Kennelijk met gedachte van redactieleiding van als die ouwe (60+) het kan, kan iedereen het…
Ergens diep in de nacht info krijgen over een brand of wat dan ook en dat dan meteen op de website zien te krijgen. Soms met hulp van de nachtwachten van het AD in Canada, USA en Zuid-Amerika. Het waren de mooiste laatste jaren van mijn journalistieke carrière.
Heb ik dus ergens spijt van gehad? Nee, niet echt. OK, net als in elke baan waar je lang in blijft, zijn er minpunten, maar de balans opmakend heb ik een prachtige tijd gehad. Mijn werk voor de krant(en) en zeker ook mijn vakbondsactiviteiten van de NVJ voor de collega’s overal in het land kijk ik met genoegen terug op die halve eeuw.
Blunders
En nu? Achter de geraniums?. Zeker niet! Ben voor mijn kerk net zo actief als in mijn journalistieke jaren, zowel in Rotterdam als in (met name) Europa. En dat hoop ik nog een aantal jaren te mogen doen. Luiigheid is des duivels oor kussen, of zoiets.
En ik kan het niet laten. Soms kom ik op de website van de krant (taalkundige) fouten/blunders tegen en dan kan ik het niet laten. Afhankelijk van de (oud-)collega van dienst wordt die fout aangepast, maar steeds vaker ook niet. Wel jammer, want zoals ik mijn collega’s altijd heb voorgehouden: als het gebruik van goed Nederlands al wordt genegeerd, hoe zit het dan met de inhoud van het artikel…!!!
Nu niet meer achteruit kijken. De blik op de toekomst. Nog vijftig jaar mijn journalistieke DNA volgen? Dat is misschien teveel gevraagd. Maar een paar jaar/decennia toevoegen aan dit fantastische (journalistieke) leven zou wel mooi zijn.
Nu mijn eigen jubileum ff vieren met een mooie dram!
Slaìnte!
Raadsel opgelost: glas-in-lood raam in mijn kerk samengesteld uit vijf losse
Na verzoek Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam om meer informatie over de kerkgebonden kunst mijn kerk aan de Schiedamse Vest, ben ik dieper gaan duiken in de geschiedenis van het grote gebrandschilderde raam in de muur van het trappenhuis.
Wist wel, het staat genoemd in de tekst onderin glas-in-lood raam vandaan komt en hoe het in onze kerk een plek kreeg, maar daar hield de informatie ook op.
Nu weet ik dat het afkomstig is uit de vroegere Anglicaanse kerk in Den Haag en dateert van de bouw van die kerk in 1873. De bouw van die kerk en de schenking van het raam zijn van John Abraham Tinne een rijke Nederlandse handelaar uit het Engelse Liverpool. Hij wilde zo zijn dankbaarheid tonen voor zijn redding na 24 uur op de Noordzee toen zijn schip schipbreuk had geleden.
Wie de ontwerper is van de meer dan 150 jaar oude ramen is en welke glazenier het destijds heeft vervaardigd, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen. Misschien moet ik maar eens contact opnemen met de Anglicaanse kerk in Den Haag (die kerkelijke gemeente bestaat nog steeds) en zien of daar in haar archief nog iets van is te vinden. Of misschien ziet de onderzoekster van het Centrum Beeldende Kunst in Rotterdam kans om het te achterhalen.
De Anglicaanse kerk is in maart 1945 gebombardeerd door de Britse luchtmacht RAF. Een foutje. Ze wilde eigenlijk een Duitse raketbasis iets verderop vernietigen, maar ze vergiste zich in de locatie.
Het glas-in-lood van de kerk was echter al veertig jaar eerder, in 1905 verwijderd om plaats te maken voor een nieuw raam. Het oude raam werd in delen opgeslagen in de Grote kerk in Den Haag.
Bombardement
Iemand van onze kerk kwam het bij toeval kort na de Tweede Wereldoorlog daar tegen en kreeg het voor elkaar dat het raam naar Rotterdam kon verhuizen om een plek te krijgen wat nu de Scots International Church is.
Onze oude kerk aan het Vasteland (vlakbij de Erasmusbrug) was op 14 mei 1940 bij het bombardement van Rotterdam door de Duitsers verwoest. Architect Meischke heeft de blinde muur die hij had getekend voor de nieuwbouw ervoor aangepast.

De originele herkomst van het raam maakt duidelijk waarom de heiligen Jacobus, Johannes, Petrus en Paul rond Jezus staan: de Anglicaanse, dus deels overlappend met de katholieke kerk kijk op heiligen.
Niemand die in mijn protestantse kerk maalt om de aanwezigheid van de heiligen. Het raam oogst bewondering. Zeker als op een mooie zondag het zonlicht op de ramen komt, is het een genot om naar te kijken.
Zelfs voor mij na al die jaren dat ik lid ben van deze kerk en hier dus vrijwel elke zondag ben te vinden.
Toevoegingen
Het raam zoals het in mijn kerk is te zien, wijkt wel af van de plaatsing in het voormalige gebouw van de Anglicaanse kerk in Den Haag. En dan doel ik niet op de toevoegingen onderin het raam met een beschrijving over het waarom van het raam en de Schotse St. Andrews kruisjes onderin. In Den Haag stonden de vijf figuren afzonderlijk in een halve cirkel in de muur van het koorgedeelte. Zie foto hierboven. Bij ons is het dus één geheel.
Die samenvoeging en de tekst plus de St. Andrewskruisjes is vervaardigd door de Rotterdamse glazenier Everardus Warffemius (Delft, 9 november 1885 – Rotterdam, 30 juli 1969).
Toch weer een leuk weetje om te gebruiken tijdens rondleidingen tijdens Open Monumentendag (jaarlijks in september) en Heilige Huisjes (juni).
Nostalgische treinrit
Nostalgische treinrit vandaag. Nee, geen stoomtrein, maar de ‘Muis’, de trein waarmee ik midden jaren zeventig dagelijks pendelde van Gouda naar Amsterdam.
Vorig jaar me best vermaakt bij de Open Treinendagen van het Spoorwegmuseum, dus bij het zien van de aankondiging besloten weer te gaan. En hé, nog een extra onderwerp op het bulletin: een treinrit van het Spoorwegmuseum naar Amersfoort en terug.

Het blijkt te gaan om een treinstel van de Mat ’46, elektrisch materieel dat vanaf 1946 is gebouwd. Bijgenaamd Muizenneus, vanwege de spitse neus.
Kende ze wel als kind, als we als gezin eens naar opa en oma in Rotterdam (mijn geboortestad) gingen. En ik herinner me een vakantie met mijn ouders en zus naar Valkenburg (Limburg) via Utrecht. Opstappen in Gouda en blijven zitten tot de eindbestemming.

07.10 uur
Maar de dagelijkse ritten kwamen vanaf oktober 1975, in het begin van mijn journalistieke carrière in Amsterdam. De rechtstreekse trein naar de hoofdstad voerde (en nog steeds) via Woerden en Breukelen naar Amsterdam CS. Stipt vertrek om 07.10 uur.

Het betekende wel twee extra stops in de weilanden. fly-overs voor treinen bestonden nog niet, of nauwelijks. Dus om ter hoogte van Harmelen linksaf richting het spoor naar Amsterdam te gaan, moest gewacht worden op het passeren van een tegemoetkomende trein uit Utrecht. En verderop gebeurde dat nog eens, om op het spoor van Utrecht naar Amsterdam te komen. Elke dag moest het boemeltje hier wachten.

Roken
Het was de tijd dat er nog gerookt mocht worden in de trein (en dat gebeurde ook), maar gelukkig konden de raampjes in de Mat ’46 open… Het uitzicht bleef elke dag hetzelfde, alleen de seizoenen veranderden. En gelukkig had je de zwart-wit foto’s van steden en dorpen aan de wanden van de coupés.

Nadat ik mezelf een auto had aangeschaft (dat klinkt heel wat, maar het was de oude Daf 55 van mijn vader), pakte ik nog maar sporadisch de trein naar Amsterdam.
Maar vandaag dus weer een ritje met treinstel 273. In Amersfoort mocht je kwartiertje uitstappen om foto’s te maken van het exterieur. Maar dat had ik in Utrecht al gemaakt. In afwachting van de terugreis dus maar volop alle details van het interieur weer in me opgenomen.
Het exterieur wijkt wel af, ontdekte ik. ‘In mijn tijd‘, was de trein groen, met alleen een gele bies op de neus. Maar oorspronkelijk en ook deze museumtrein heeft een rode bies. Het mag de pret niet drukken. Pure nostalgie. Niks mis mee.
Via een lange omweg naar terras Maastricht
Wandeling in het zuiden van Limburg. Grensgeval, want ook stukje door Wallonië (België). Prima weersomstandigheden voor de tocht. Met als ‘finish’ natuurlijk een glaasje geestrijk vocht op mijn stamterras in Maastricht.
Drie jaar geleden dezelfde wandeltocht ondernomen. Is me toen goed bevallen. Herhaling stond daarom al even op mijn lijstje met af te vinken dagtochten. Bijna een half jaar geleden, In maart, zou ik ook al gaan. Dat liep toen net even anders. In de trein naar het zuiden, zocht ik de informatie over het voet-/fietsveer van Eijsden naar Lanaye (Wallonië) op. Bleek dat de veerpont over de Maas pas vanaf april weer zou varen…

Nu probleemloos naar de overkant. Lekker gevoel dat je op zaterdag zomaar even in het buitenland gaat lopen.
Niet lang hoor. De tocht door het dorpje of gehucht Lanaye (of Ternaaien op zijn Nederlands) en de wandeling langs eerst een deel van het Albertkanaal en dan het Kanaal van Ternaaien, terwijl in de verte de Maas weer opdoemt.
Tuibrug
Route is niet moeilijk, zolang je het water (beide kanalen of de Maas) niet echt het oog verliest. Mooi zicht weer op de geweldige tuibrug over het Albertkanaal en het sluizencomplex van Lanaye.
Direct valt op welk een groot verschil er is tussen de waterhoogten in het kanaal en de Maas. Wel veertien meter! En links is de mergelmuur (kalksteen) van de St. Pietersberg niet te missen. Ook mooi om te zien is
Weinig andere wandelaars. Wel stikt het er op deze zaterdag van de racefietsers. De wandeling neemt niet overdreven veel tijd in beslag. Vanaf de aankomst per pont in Lanaye tot Maastricht gaat het om negen kilometer. Toch duurt wel lang, omdat ik geen haast heb en ook foto’s wil maken en halverwege, net voor de grens met Nederland nog even bij Les Tcheroux in Klein-Lanaye met een bezoek vereerd voor een kopje koffie.

Uiteraard weer even met bewondering gekeken naar het fraaie kunstwerk van kunstenaar Daan Wildschut op de muur van het voormalige hoofdkantoor van cementfabriek ENCI. Een keramisch reliëf (zie pagina 106 in document waar deze link naar verijst) van een gestileerde cementoven met mergelwinners en bouwvakkers: Vemergeld rijk. De tekst: ,,O waterrif dat naakt geblazen werd, door wie de sterren ment,
uit uw vermergeld rijk bouwt het vernuft nu steden van ciment.’’

Terras
Na nog even door het altijd mooie Maastricht te hebben gewandeld, de tocht vanzelfsprekend beëindigd op mijn favoriete terras in Maastricht, dat van Charlemagne op het Onze Lieve Vrouweplein. De twee glazen Chardonnay verkwikten het lichaam. Daarna per trein weer terug naar Gouda.

Volgend jaar maak ik de wandeling nog een keer, maar dan ga ik net over de sluis langs het Albertkanaal, dus links om de St. Pietersberg en door/langs Kanne naar Maastricht. Volgens de bebording is het dezelfde afstand naar Maastricht.
O, en voor wie dol is op de App Stappenteller: van huis tot huis zijn er 21.467 gezet vandaag!
